Molen Johanna in Huijbergen was oorspronkelijk een deel van een parochie. Huijbergen (een grensdorp) was bij de bouw van de molen een Twee Heerlijkheid, het westelijk deel viel onder de 13e eeuwse Wuhelmietenpriorij van Huijbergen en het oostelijk deel onder de abt van de
Norbertijnenabdij Tongerlo in België. In het Belgische deel stond in vroeger eeuwen een waterradmolen. Van 1814 tot 1839 behoorden beide delen tot het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden maar daarna behoorde de Heerlijkheid permanent onder de twee staten Nederland en België.
Hoewel de staatkundige scheiding in 1830 werd voltrokken, bleven Huijbergen en Kalmthoutse Hoek tot 1859 één parochie vormen. Nadat de paters Wuhelmieten hun parochiekerk aan de hervormden moesten afstaan, waren de parochianen van het Belgische gedeelte aangewezen op de Huijbergse kerk. Ze
verzetten zich echter met succes tegen de autoritaire pastoor De Bie. De boeren van den Hoek en mulder Piet Aerden ijverden voor een eigen kerk, school en pastoor. Met hulp van landbouwer-koopman Petrus Johannes Backx nam De Bie toen het initiatief een eigen korenmolen binnen zijn gehalveerde parochie te bouwen. Uit de verleende vergunning blijkt dat het ook de bedoeling was om de molen als oliemolen te gaan gebruiken. Backx zou tot 1882 op de molen blijven werken met hulp van de uit Rucphen afkomstige inwonende muldersknecht Jacobus van Beethoven.
In 1882 nam Erasmus van den Berg de molen over. Daarvoor verstrekte pastoor De Bie hem een lening. Erasmus had de bijnaam "Muske" en oefende tot 1908, toen hij bijna 72 jaar oud was, het muldersbedrijf uit. De nieuwe eigenaar werd J. Goris uit Ossendrecht, die de molen had aangekocht voor zijn zonen Piet en Jo. Voorheen was er in de molen ook een houtzagerij gevestigd. In de
Tweede Wereldoorlog bewees de molen voor het laatst zijn diensten voor de voedselvoorziening.
In 1966 kocht de gemeente de verwaarloosde molen met omliggend erf voor 10.000 gulden van J.Q. Goris en liet van 1967 tot 1969 een restauratie uitvoeren. Van de twee inrijpoorten met hekwerk erboven, is de achterste dicht gemetseld om als motorhok dienst te doen. Een Benz één-cilinder dieselmotor dreef er een maalstoeltje met een klein koppel kunststenen aan. De twee koppels 17er kunststenen en het tegen de onderzijde van de luitafel werkende sleepluiwerk worden door windkracht aangedreven. Door de Belgische houten bovenas met gietijzeren insteekkop is een Oud-Hollands opgehekt wiekenkruis met een vlucht van 23,70 m en een fel rode voorzoom gestoken. Rondom de molenberg is een stenen muur gemetseld. De molen is via drie fraaie zwarte toegangsdeuren vanaf de belt toegankelijk. In de vensters, die evenals de vangstok in blauw, rood en wit geschilderd zijn, zijn fraaie luiken aangebracht. Aan de bovenzijde is een kleurige rood met witte horizontale band aangebracht. Door het vrolijke schilderwerk en de opnieuw gevoegde molenromp is de molen een lust voor het oog.